Acupunctuur is naast qi gong, tuina, voeding en kruiden één van de vijf bouwstenen van de Traditionele Chinese Geneeskunde (TCG).
Westerse geneeskunde is analytisch en zoekt tot op celniveau en dieper naar die ene oorzaak of veroorzaker van de aandoening. Oosterse geneeskunde richt zich op het complete fysiologische en psychologische individu en neemt ook de sociale context mee. Deze verzameling van informatie verweeft zich tot een “patroon van disbalans”. De oosterse kijk is meer een synthese: het verbinden van de afzonderlijke elementen tot een patroon. TCG richt zich op de zieke en niet alleen op de ziekte.
Oosters en westers beoordelen vanuit een ander perspectief, maar beide helen hetzelfde lichaam. Hierdoor zijn deze benaderingen complementair.
Deze benaderingswijze van de mens in de TCG is door de eeuwen heen ontstaan. Door een zeer nauwkeurige observatie van de natuur bereikte men een hoge graad van kennis en bewustzijn over de mens, de natuurverschijnselen en over de relatie tussen beiden. Oosters ziet men ieder mens als een kosmos in het miniatuur binnen de macrokosmos: ieder mens manifesteert zich vergelijkbaar met de processen die we dagelijks zien in de natuur om ons heen.
Binnen de TCG is acupunctuur een methode om de disbalans te herstellen. Dit helpt de patiënt om weer een nieuw evenwicht te bereiken.